Jup Goffin Auteur/Dichter/Columnist                                                                Donderdag, 22 Oktober 2020

Er Was Eens

‘Mijn onversaagde gemaal, waar gaat gij hene?’
‘Ik ga naar den smit vrouwe. Ik heb horen zeggen dat hij mijn ros meer krachten kan geven.’
‘O manlief, laat mij u dat als geschenk voor uwe geboortedag geven. Zeg maar tegen hem dat ik later dezen dag de rekening met hem zal vereffen.’
‘Gegroet heer en meester van Brundisium,  overheerser van Hispania, Macedonie en Asia, afstammeling van Jupiter en Juno …’
‘Ja, genoeg zo. Vertel mij smit, kunt gij mijn paard meer krachten geven?’

‘Voor u zeker mijn heer. Ik heb een wondermiddel genaamd canapis. Drie keer daags door het voeder mengen en uwen ros zal als levende legende met u ten strijde gaan.’
‘Jezus Christus man, hoe komt gij daaraan?’
‘Heer, mag ik u verzoeken de naam van ‘Hij die nog niet geboren is’ hier niet te noemen, de farizeeën luisteren overal mee. Iedere donderdag op de zwarte markt staat er ene figuur uit Noviomagus Batavorum die dezen wondermedicijn verkoopt. Voor u heer hanteer ik ene speciale prijs.’
‘Ik moest van mijne vrouwe zeggen dat zij de rekening zal komen voldoen.’
(zacht gemompel) ‘Mein lieber, niet alweer, zo verdien ik nooit wat.’
‘Wat zegt gij daar smit?’
‘Euh ik zei; wat een lieverd, mijn heer verdient zo ene schat. Uwe weledele vrouwe heeft het er maar druk mee. Ik heb vernomen dat zij ook hij die brood bakt nog moet betalen en hij die het vlees houwt zit ook nog op een vergoeding te wachten.’
Terwijl beide mannen nog druk in gesprek zijn komt den minnenzanger aan de poort van den smidse en brengt zijn lied ten gehore:
‘Zij kon het lonken niet laten
Zij lonkte naar iedere man
Dat liep veel te veel in de gaten
Behalve haar echtgenoot
Die merkte er totaal niks van’ 


- VERVOLG -