De beloofde banaan


Waar loop jij mee te slepen?’
‘Met stenen tabletten.’
‘Stenen? Ben je wel wijs? Bij Bol kun je de mooiste exemplaren krijgen, die wegen niks!’
‘Nee, niet die tabletten. Dit zijn de tabletten met de tien geboden. Tenminste, ik hoop dat het er tien blijven, want dit is al de zoveelste keer dat ik er mee sleep. Eerst zijn het er tien, dan word ik teruggeroepen voor een correctie en worden het er twaalf, dan weer tien en opeens elf. Zo gaat het nu al de hele dag, ik ben kapot. Ik heb van kwaadheid al een exemplaar aan diggelen gesmeten, maar dat werd me niet in dank afgenomen, kan ik je vertellen. Trouwens, ik ben Mozes, en jij?’
‘Ik ben Aäron. Een of andere lid van een club genaamd LHBTi heeft me naar jou gestuurd, om je over te halen terug naar je volk te komen. Maar pleur eerst even die loodzware stenen van je rug af, man. Dat is toch geen doen, je lijkt wel een slaaf. Onder aan de berg is ons volk feest aan het vieren. Het is de dag van het ‘Gouden Kalf’, dus kom op, volop shoarma, bier, wijn en LHBTi-mokkels.’
‘Lhbti? Wat is dat nu weer voor iets?’ ‘Dat is de Lang Haar Blote Tieten club. Die kun je inhuren als er een feestje is.’ 

Nadat Mozes zich had laten overhalen, werd er volop feest gevierd aan de voet van de berg. De volgende morgen, toen bij Mozes een kater begon te knorren en naast hem een LHBTi poesje lag te spinnen, herinnerde hij zich vaag iets over geboden, een dozijn of zo. Snel kleedde hij zich aan en rende met bonkend hoofd en kloppend hart naar de top van de berg terug. Helaas had het geen zin meer. Boven aangekomen lag zijn ontslagbrief op het laatste stukgevallen tablet, alsmede de rekening voor graveerwerk. Terneergeslagen daalde hij maar weer af naar zijn volk, waar Aäron hem al op stond te wachten.
‘Ik zie aan je gezicht dat er iets aan de hand is, vertel op.’
‘Ik ben op staande voet ontslagen! Ik, Mozes! Heb jij je mobieltje bij je? Dan bel ik gelijk mijn advocaat.’
‘Dat heeft geen zin, Mozes.’
‘En waarom niet?’
‘Die zit momenteel met zijn kont in Irak.’
‘Trommel iedereen bij elkaar, we gaan hier zo snel mogelijk weg.’
‘Waar naartoe dan?'
 ‘Al generaties lang wordt ons een stuk land beloofd. Het is tijd om die belofte maar eens te gaan innen.’ ‘Land beloofd? En waar bevindt dit land zich dan, hoe heet het?’
‘Weet ik dat, de naam ben ik vergeten. Het klinkt als Banaan of zo, geloof ik, maar laten we voort maken, we hebben nog een hele weg te gaan.’

Omdat in de woestijn de borden die naar Het Beloofde land wezen, om- of weggewaaid waren, deden ze er veertig jaar over om hun bestemming te bereiken. Op het einde van hun tocht ging het nog even goed mis en gingen ze bijna naar de Filistijnen. Toen ze bij een grenscontrole hun papieren lieten zien, bleken ze zich enkele kilometers vergist te hebben. Gelukkig werd de grenspost maar door een handjevol Palestijnen bewaakt, dus toen ze deze overmeesterd hadden, konden ze maken dat ze wegkwamen. Eenmaal de plaats van bestemming bereikt, voelden ze zich gelijk thuis. Ondanks de raketaanvallen, ter vergelding van het overmeesteren van de Palestijnse douanebeambten en de zelfmoordacties, door familieleden van diezelfde ambtenaren, werd Banaan hun nieuwe thuis.

E-mail verzonden